We nemen je mee terug naar het feodale Japan, tussen de 17° en 19° eeuw. De Samoeraï-krijgers begonnen zich na de bloedige burgeroorlogen aan te passen aan een vrediger omgeving. Ze geraakten echter in moeilijkheden wanneer ze werden aangevallen door roverbendes of vrijgevochten voormalige Samoerai, ronin genaamd. Het was immers verboden voor Samoeraï-krijgers om hun zwaarden te dragen, en de nood aan "lege-hand"-technieken begon te groeien.
Het zwaard van de Samoeraï werd vervangen door jiu jitsu, en dit bleek een evenwaardig wapen te zijn. Samoeraï werden reeds op jonge leeftijd getraind in armklemmen en breektechnieken. Ze raakten ook bedreven in de verschillende werp- en grijptechnieken. Zij hadden speciale, getekende kaarten waarop alle vitale punten van het menselijk lichaam stonden aangeduid. Deze punten werden steeds aangepast en verbeterd, en uitgetest op veroordeelde gevangenen.
Wanneer de krijgers niet betrokken waren in één van de vele oorlogen, brachten zij hun tijd door met het oefenen van deze krijgskunsten, maar dan als sport. Overwinnen was voor hen uiteraard van levensbelang, maar nog meer een kwestie van eer... sport of niet. Het was niet ongewoon dat men ging trainen, en niet terugkeerde.
Het systeem van het jiu jitsu zoals wij het nu kennen werd gevormd in 1532, door Dhr. Takenuchi Hisamori.